VERSCHILLEN TUSSEN PLAATSELIJKE VETOPHOPINGEN EN CELLULITIS

DIFFERENCES ENTRE L’ADIPOSITE LOCALE ET LA CELLULITE

Om plaatselijke vetophopingen en cellulitis duidelijk van elkaar te onderscheiden, moeten we de specifieke kenmerken van die twee klinische vormen kennen. Ze verschillen sterk van elkaar, maar kunnen bij een zelfde persoon dikwijls samen voorkomen in dezelfde lichaamszones.

Plaatselijke vetophopingen wil zeggen dat vetweefsel zich opstapelt op bepaalde lichaamsdelen, niet alleen bij vrouwen, maar ook bij mannen, naargelang van het biotype. Een biotype is een specifieke lichaamsvorm. Bij vrouwen (gynoïde biotype) bevinden de plaatselijke vetophopingen zich gewoonlijk op de heupen, de zone rond de navel en boven de schaamstreek, op de dijen en op de binnenkant van de knieën, terwijl de vetophopingen zich bij mannen doorgaans opstapelen in de buikzone (androïde biotype). Toch zijn er vrouwen die, ondanks hun vrouwelijke charme, kenmerken hebben die sterk lijken op die van het mannelijke biotype, met vooral vetophopingen op de rug en buikzone.
Bij plaatselijke vetophopingen worden de vetcellen groter (HYPERTROFIE) en zijn er meer vetcellen (HYPERPLASIE) zonder dat de vetsamenstelling, de structuur van de lederhuid en de cellen (onderhuids vetweefsel) veranderen en zonder dat de plaatselijke microcirculatie in de onderhuid en lederhuid wordt aangetast.
Ook de kenmerken van de opperhuid veranderen niet. Zo neemt het vetweefsel, dat als ‘gezond’ wordt beschouwd, plaatselijk toe, zonder oedeem, zonder pijn en zonder aantasting van de huid, wat niet het geval is voor cellulitis.

La Cellulitis of gynoïde lipodystrofie (GLD) of dermopanniculosis deformans wordt door veel specialisten beschouwd als een fysiologische aandoening bij vrouwen en dus als een heel frequent probleem. De term cellulitis, die wetenschappelijk gezien verkeerd wordt gebruikt, wordt vaak gebruikt in de dermatologie.

Het is een probleem dat veel vrouwen ontsierend vinden, ongeacht de ernst. Cellulitis hangt niet af van het gewicht van een persoon, het kan ook optreden bij magere mensen, maar meer vet of vetophopingen versterken cellulitis. Cellulitis verschijnt doorgaans na de puberteit en heeft de neiging om mettertijd chronisch en ernstiger te worden. Cellulitis bevindt zich doorgaans op de billen en dijen, waar het huidoppervlak het typische uitzicht van een ‘sinaasappelhuid’ aanneemt.
Daarna kan cellulitis verergeren, dieper en inhomogener worden, met bepaalde lichaamsdelen in reliëf (‘gewatteerde huid’) en in de laatste stadia kan ze ook andere lichaamsdelen, zoals de buik en de armen, aantasten.

Hoewel cellulitis niet altijd complicaties veroorzaakt of ernstig is, gaat het om een echte aandoening. De cellen van het vetweefsel (adipocyten) en de plaatselijke microcirculatie zijn gestoord, er worden nieuwe collageenvezels gevormd en het hyaluronzuur stijgt. Daarop ontstaat vochtretentie. Oedeem (zwelling) als gevolg van de vochtstagnatie, drukt de structuren en bloedvaten samen. Dat vormt een nog grotere belemmering van de plaatselijke microcirculatie en de uitwisselingen in het kader van de stofwisseling. De collageenvezels worden dikker en hun aantal neemt toe. Daardoor ontstaan groepen door de vetten ontaarde cellen die knobbels vormen.
Die stoornissen hebben ook een invloed op de opperhuid, het meest oppervlakkige deel van de huid, die er bleek uitziet, met hypothermie (daling van de plaatselijke temperatuur) en een droge huid. De pijn, heel subjectief in de eerste fase, is daarna niet alleen bij aanraking aanwezig, maar ook spontaan.

Cellulitis heeft veel oorzaken, voorbeschikkende factoren die gebonden zijn aan ras, geslacht, biotype, erfelijkheid, uitlokkende factoren, zoals hormoonbehandelingen, een ongezonde levensstijl, alcohol, roken, onevenwichtige diëten, enz. De echte oorzaak wordt echter in verband gebracht met de functie van de oestrogenen, de vrouwelijke geslachtshormonen. Die verhogen vochtretentie en natuurlijke vetophopingen in bepaalde delen van het vrouwelijk lichaam zoals de billen en dijen (gynoïde biotype). De oestrogenen komen ook tussen in de microcirculatie, het delicate mechanisme voor vochtuitwisseling in de weefsels, dat een grote rol speelt in het ontstaan van cellulitis.

Het onderhuidse vet van de gynoïde zones bij vrouwen heeft een andere structuur dan dat van mannen. Bij vrouwen lopen de bindweefseltussenschotten haaks op het huidoppervlak. Ze scheiden de vetlobben in rechthoekige zones. Als de vetweefsels ontregeld zijn, worden de lobben groter en scleroseren de collageenvezeltussenschotten (ze worden harder). Dat drukt de onderhuid samen in de lederhuid, dat wil zeggen aan de oppervlakte, die dan ‘gewatteerd’ lijkt. Als we naar het vetweefsel bij mannen kijken, hebben de tussenschotvezels een ruitvormige bouw. De gecreëerde lobben hebben een veelhoekige vorm en kunnen zelfs bij grote vetophopingen de lederhuid niet binnendringen.

Bij vruchtbare vrouwen kunnen beide samen worden gevonden. Sommige delen vertonen plaatselijke vetophopingen en andere delen vertonen de voor cellulitis typische veranderingen, vooral in de sterkst getroffen zones, zoals de billen en dijen.

Bibliografie

  • ‘Cellulite: une étude’ Ana Beatris R Rossi, Andr. Luiz Vergnanini. JEADV 2000;14:251–262
  • ‘Etude pilote des structures graisseuses dermiques et sous-cutanées par IRM chez les individus qui diffèrent de sexe, IMC et degré de cellulite’ F. Mirrashed et al. Recherche et Technologie cutanées 2004;10:161–168
  • ‘La cellulite et son traitement’ A. V. Rawlings AVR Consulting Ltd, Northwich, U.K.
    Journal International de la Science Cosmétique 2006;28:175–190
  • ‘Traitement de la cellulite avec endermologie LPG’ Tülin Güleç.
    Journal International de Dermatologie 2009;48:265–270
  • ‘Effets du massage mécanique, du drainage lymphatique manuel et des techniques de manipulation des tissus conjonctifs sur la masse grasse chez les femmes avec cellulite’ V Bayrakci Tunay et al. JEADV 2010;24:138–142